Bij
het samenstellen van de woordenlijst stonden bruikbaarheid, toegankelijkheid en
overzichtelijkheid voorop. De beperkte omvang maakt dat niet alle juridische
termen in de lijst zijn opgenomen.
A
Aanhangig
maken – Het starten van een procedure bij de rechter; in een strafproces
gebeurt dat door een dagvaarding of een oproep door
de officier van justitie, in een civiel proces
door een dagvaarding door de eiser van de andere partij of
een verzoekschrift aan de rechter.
Aanhouden
– 1. In het strafrecht: het feitelijk vasthouden van iemand
die er van verdacht wordt een strafbaar feit te hebben begaan.
2. In een civiele
of strafprocedure: het uitstel van de behandeling of de eindbeslissing
van de rechter.
Aanleg
– De rechterlijke instantie waar de behandeling van een zaak plaatsvindt. De rechtbank
is de eerste aanleg, het gerechtshof de tweede aanleg oftewel
de hoger-beroepsinstantie.
Aanwijzing
- 1. Voorschrift hoe het Openbaar Ministerie zijn taak moet
vervullen. Er is bijvoorbeeld een aanwijzing over de rol van een officier
van justitie bij risicowedstrijden in het betaald voetbal.
2. Officieel
bevel van de minister van Justitie aan het Openbaar Ministerie om een zaak op
een bepaalde manier af te handelen.
Aanzegging
– Bekendmaking door middel van het uitreiken van een gerechtelijk schrijven, bijvoorbeeld
een dagvaarding of een kennisgeving.
Absolute
competentie of bevoegdheid - Bij het uitbrengen van een dagvaarding
spelen in het algemeen twee vragen een rol. Ten eerste moet altijd worden vastgesteld
welke 'soort' rechter bevoegd is om een zaak te behandelen. In de meeste gevallen
zal het dan gaan om vast te stellen of men bij de 'gewone' rechter of bij de kantonrechter
moet zijn. Dit is de vraag van de absolute competentie. Ten tweede moet men vaststellen
in welk arrondissement de rechter dient te worden benaderd. Dit is de vraag van
de relatieve competentie.
Administratieve
afhandeling - Procedure om buiten het strafrecht
lichte (verkeers-) overtredingen af te handelen.
Administratieve
rechtspraak - Zie: Bestuursrecht
Advocaat
– Raadsman of raadsvrouw in
juridische aangelegenheden. Een advocaat moet zijn ingeschreven bij de rechtbank
en is ook lid van de Nederlandse Orde van Advocaten.
Voor meer informatie:
http://www.advocatenorde.nl/.
Advocaat-Generaal
(A-G.) - 1. Vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie bij
een gerechtshof. Zijn taak komt overeen met die van de officier
van justitie bij de rechtbank.
2. Bij de Hoge
Raad: adviseur van de Hoge Raad. Deze advocaat-generaal werkt niet voor het
Openbaar Ministerie.
Akte
– Ondertekend geschrift, dat als bewijs kan dienen.
Alternatieve
sanctie – Een taakstraf (werkstraf
of leerstraf) als alternatief voor gevangenisstraf of
boete. Taakstraf is onbetaalde arbeid die wordt opgelegd door de strafrechter
in plaats van een gevangenisstraf. Het werk wordt meestal verricht in ziekenhuizen,
bejaardencentra, kinderboerderijen, sportclubs en dergelijke. Leerstraf is het
verplicht volgen van een cursus of training als alternatieve straf voor jeugdigen.
Ambtshalve toevoeging
– Toewijzing door de rechter van een advocaat die kosteloos
rechtsbijstand verleent aan verdachten, vreemdelingen of psychiatrische patiënten
die in bewaring zijn gesteld (zie ook: In bewaringstelling)
zonder dat zij daartoe zelf een verzoek hoeven indienen.
Appèl
– Hoger beroep; de mogelijkheid om, als men het niet eens
is met een rechterlijke uitspraak, een nieuwe uitspraak van een hogere rechter
te vragen. Als een zaak bij de rechtbank heeft gediend
en hoger beroep wordt ingesteld, dan wordt de zaak behandeld door het gerechtshof.
In beroep gaan bij de Hoge Raad heet geen
'appèl' maar 'cassatie'.
Appellant
- Degene die in hoger beroep gaat.
Arbitrage
– Vorm van geschilbeslechting waarbij niet de rechter, maar een of meer door
de partijen zelf aangewezen scheidsrechters (arbiters) een uitspraak doen.
Arrest
– Uitspraak van een gerechtshof of de Hoge
Raad.
Arrondissement
– Rechtsgebied. Nederland is verdeeld in negentien arrondissementen, met elk een
rechtbank en een arrondissementsparket. Zie ook: Ressort.
Arrondissementsparket
– Het kantoor van het Openbaar Ministerie in een arrondissement.
Op het arrondissementsparket werken de officieren van justitie
en ondersteunend personeel onder leiding van een hoofdofficier van justitie. De
parketten zijn gevestigd in dezelfde steden als de rechtbanken.
B
Balie
–Aanduiding voor de hele advocatuur.
Beklag
– De mogelijkheid voor rechtstreeks belanghebbenden om te klagen als door het
Openbaar Ministerie is besloten om een strafbaar feit niet (verder)
te vervolgen. De beslissing om al dan niet alsnog te vervolgen wordt ter beoordeling
aan het gerechtshof voorgelegd.
Belanghebbende
– Iemand die betrokken is bij een besluit of geschil en daar (rechtstreeks) belang
bij heeft.
Bemiddeling
– Een alternatieve manier om tot een oplossing van geschillen te komen. Een onafhankelijke
deskundige bemiddelaar verleent hulp om partijen tot elkaar te brengen.
Benadeelde
partij – Iemand die door een strafbaar feit schade heeft ondervonden.
Een benadeelde partij kan zich voegen in het strafproces
om als slachtoffer schadevergoeding van de dader vorderen.
Beroep
- Zie: Hoger beroep
Beschikking
- 1. Een beslissing van een overheidsorgaan in een concreet geval, bijvoorbeeld
het verlenen van een bouwvergunning.
2. In het civiele recht: een rechterlijke
uitspraak in een procedure die begint met een verzoekschrift. Een uitspraak
in een procedure die begint met een dagvaarding, heet
een vonnis.
Beslag
– Inbeslagneming van voorwerpen waarmee strafbare feiten zijn gepleegd, bijvoorbeeld
omdat ze nodig zijn voor het bewijs, omdat ze gevaarlijk zijn (drugs, wapens),
of om de criminele winsten af te romen (geld, auto’s, huizen, jachten). Dit
beslag geschiedt in opdracht van de officier van justitie.
Bestuursorganen
- Organen die belast zijn met overheidstaken, zoals het College van Burgemeester
en Wethouders of een bedrijfsvereniging.
Bestuursrechtspraak
- Rechtspraak die zich bezighoudt met geschillen over besluiten van een overheidsorgaan.
De geschillen kunnen zich zowel tussen burgers en bestuursorganen als tussen bestuursorganen
onderling afspelen. Bestuursrecht
is de moderne benaming voor wat vroeger administratief recht heette.
Betekening-
Uitreiking van gerechtelijke stukken, zoals een dagvaarding,
een oproeping of een vonnis, aan een verdachte
of een getuige.
Bewaring – Zie:
Inbewaringstelling
Bewijslast
– De verplichting tot het leveren van bewijs in een proces.
Bloedproef
- Het afnemen van bloed om te zien of een automobilist onder invloed is van alcohol
of drogerende middelen.
Bodemprocedure
- Term die gebruikt wordt om de normale procedure bij de rechtbank
af te zetten tegen het kort geding.
Burgerlijke
rechtshulp - Zie: Civiele rechtspraak
C
Cassatie,
in cassatie gaan - In beroep gaan bij de Hoge Raad tegen een beslissing
van een lagere rechter. (Zie ook: In
cassatie bij de Hoge Raad)
Casseren
- Het vernietigen van een uitspraak van een lagere rechter door de Hoge
Raad.
Cautie
- Mededeling aan de verdachte dat hij het recht heeft
om te zwijgen.
Centrale
Raad van Beroep (CRvB)– Beroepsinstantie beslist in geschillen over
sociale verzekeringswetten en ambtenarenzaken, nadat men in beroep is gegaan tegen een uitspraak
van de bestuursrechter van de rechtbank. Voor
meer informatie: Centrale
Raad van Beroep
Civiele
rechtspraak - Rechtspraak die zich bezighoudt met geschillen tussen
burgers onderling, tussen bedrijven onderling of tussen burgers en bedrijven.
Het civiel recht
wordt ook burgerlijk recht of privaatrecht genoemd.
College
van Beroep voor het bedrijfsleven - Een bestuursrechtelijk college
dat oordeelt over geschillen op het terrein van het sociaal-economisch bestuursrecht.
Daarnaast is het College de hoger beroepsinstantie voor uitspraken betreffende
een bepaald aantal wetten, zoals bijvoorbeeld de Mededingingswet en de Telecommunicatiewet. Voor
meer informatie: College van Beroep
voor het bedrijfsleven.
College
van Procureurs-Generaal – Uit vijf personen bestaand college
dat aan het hoofd staat van het Openbaar Ministerie.
Comparitie van partijen
- Het op rechterlijk bevel persoonlijk verschijnen van partijen voor de rechter,
meestal om tot een schikking te komen of nadere uitleg te geven.
Competentie
– Geeft aan welke rechter bevoegd is voor welke soort zaak. Zie ook: Absolute
competentie.
Conclusie
van antwoord - Het eerste verweer van de gedaagde tegen
hetgeen de eiser stelt in een civiel proces.
Conclusie van repliek
- Datgene wat de eiser aanvoert ter weerlegging van hetgeen
de gedaagde in de conclusie van antwoord
heeft gesteld.
Conservatoir
beslag – Beslag op goederen na toestemming
van een rechter, vooruitlopend op een uitspraak over een geschil.
Contra-expertise
– Tegenonderzoek door een deskundige.
Contradictoir
– Zaak op tegenspraak. Dit betekent dat de gedaagde (in
het civiel recht) of de verdachte/raadsman
van verdachte (in het strafrecht) in de procedure is verschenen
en zijn kijk op de zaak heeft kunnen geven.
Cumulatie
– In burgerlijk procesrecht: samenvoeging van meerdere rechtsvorderingen.
Cumulatieve
telastelegging – Dagvaarding waarin aan
de verdachte meerdere feiten worden verweten.
Curator
– 1. Persoon die door de rechtbank wordt aangewezen op
te treden namens iemand die handelingsonbekwaam is (onder curatele is gesteld).
2. In faillissementen is de curator degene die het vermogen van degene die
failliet is gegaan te gelde maakt en verdeelt over de schuldeisers.
D
Dading
– Een overeenkomst of schikking tussen partijen waardoor
de rechter geen uitspraak meer hoeft te doen. Het is een contact tussen slachtoffer
en dader waarin de schade wordt vergoed.
Dader
- (Mede)pleger van een strafbaar feit of degene die het feit heeft uitgelokt.
Dagvaarding
- Oproep om voor het gerecht te verschijnen.
Derdenverzet
– Bijzonder rechtsmiddel dat iemand kan aanwenden wanneer hij meent benadeeld
te zijn door een vonnis dat tussen andere partijen is uitgesproken.
Delict
- Strafbaar feit.
Descente
– Een bezichtiging door de rechter op de plaats van het delict,
de plek waar de oorzaak van het geschil zichtbaar is of waar het geschil zich
afspeelt (‘plaatsopneming’).
Deurwaarder
(gerechtsdeurwaarder) – een bij koninklijk besluit benoemde openbaar ambtenaar,
die belast is met het uitbrengen van dagvaardingen
en andere exploten en het verrichten van ontruimingen,
inbeslagnemingen en executoriale verkopingen. Een deurwaarder kan ook optreden
als proces- of rolgemachtigde en rechtsbijstand verlenen.
Dingtalen
– Het mondeling bepleiten van de zaak door partijen in een civiel
proces.
Discretionaire
bevoegdheid – De vrije beslissingsruimte van de rechter.
Doodslag
- Het iemand van het leven beroven zonder dat sprake is van een van tevoren beraamd
plan. Wel moet er opzet in het spel zijn, anders is het hoogstens dood door schuld.
De maximumstraf voor doodslag is vijftien jaar gevangenisstraf. Zie ook: Moord.
Dupliek
– Het antwoord van de gedaagde op de conclusie van repliek
door de eiser (civiele zaken)
Dwangmiddelen
- 1. Middelen die bij een strafrechtelijk onderzoek kunnen worden gebruikt tegen
de wil van de verdachte. Bijvoorbeeld: fouilleren, afluisteren, huiszoeking.
2.
Pressiemiddelen ter uitoefening van bestuursdwang om naleving van wettelijke voorschriften
te bewerkstelligen.
Dwangsom
- Bedrag dat iemand moet betalen als hij niet voldoet aan een verplichting die
hem door de rechter is opgelegd.
E
Eed
van belofte - Plechtige verklaring van een getuige op
de zitting dat hij de waarheid zal spreken. Hij is dit verplicht. Als hij opzettelijk
een valse verklaring aflegt, maakt hij zich schuldig aan meineed.
Economische
politierechter – Strafrechter die beslist over economische vergrijpen,
zoals overtreding van de winkelsluitingswet of de warenwet.
Eenvoudig
/ enkelvoudig delict – Lichtste vorm van een delict,
bijvoorbeeld diefstal.
Eerste
instantie (eerste aanleg) - Gerecht waar iemand begint met een procedure. Meestal
is dat de rechtbank.
Eerste
en enige instantie - Procedure zonder de mogelijkheid om in
beroep te gaan.
Eis
– Straf die de verdachte volgens de officier van justitie
zou moeten krijgen.
Eiser
- Degene die een (civiele) procedure begint, in tegenstelling tot de gedaagde.
Elektronisch
toezicht - Zie: Huisarrest
Enkelvoudige
kamer – Zitting met één rechter die rechtspreekt (politierechter,
kinderrechter, president
in kort geding en economische politierechter). Zie ook: Meervoudige
kamer.
Enquête
– Zitting waarin de rechter getuigen hoort in een civiele
zaak.
Executie
van een vonnis – Tenuitvoerlegging van een arrest,
vonnis of beschikking, eventueel
met behulp van een deurwaarder.
Executoriaal
beslag – Handeling van de deurwaarder om bepaalde voorwerpen of gelden
aan de macht van de verliezende partij te onttrekken, zodat daarmee degene die
door de rechter in het gelijk is gesteld zijn voorwerpen terug krijgt of zijn
schuld betaald krijgt.
Ex
nunc – Vanaf nu. Beoordeling ex nunc is een beoordeling
vanuit de huidige situatie niet naar de situatie ten tijde van de gebeurtenis.
Ex tunc
–Vanaf toen. Beoordeling ex tunc is een beoordeling naar de situatie van toen
de gebeurtenis plaats vond.
Executoriale
titel – Vorm waarin een afschrift van een rechterlijk vonnis is opgemaakt,
zodat de gerechtsdeurwaarder het vonnis ten uitvoer kan leggen. Een vonnis
in executoriale vorm begint altijd met de woorden "In naam der koningin".
Exploot
(of exploit) - Verzamelnaam voor officiële stukken die uitsluitend door een gerechtsdeurwaarder
kunnen worden uitgebracht, bijvoorbeeld een dagvaarding.
F
Formeel
recht – Regels die aangeven op welke wijze een proces moet worden
gevoerd.
Forum
– Gerecht, rechterlijk college.
Fourneren
– Het overleggen van de procesdossiers aan de rechter met het doel om een vonnis
te krijgen.
G
Gedaagde -
In civiel recht: degene tegen wie een eis of vordering wordt
gericht. Tegenpartij van de eiser.
Geïntimeerde
- Partij die in de dagvaarding door de appellant opgeroepen
wordt om voor een hoger gerecht te verschijnen.
Gedetineerde
- Gevangene.
Gelaedeerde
- Iemand die nadeel heeft ondervonden door een onrechtmatige daad.
Gemachtigde
– Iemand die als vertegenwoordiger namens een partij optreedt in de procedure.
Geopposeerde
– Tegenpartij in een civiele procedure. Zie
ook: Verzet.
Gerecht
- Rechtsprekende instantie. Bijvoorbeeld: rechtbank,
gerechtshof, Hoge Raad.
Gerechtelijk
vooronderzoek - Fase in het onderzoek van een strafrechtszaak, waarin
een rechter, rechter-commissaris genoemd, het onderzoek leidt. Deze
fase gaat aan de zitting vooraf.
Gerechtsauditeur
– 1. Opleidingsfunctie voor juristen die rechter willen worden.
2. Ondersteunende
functie bij Hoge Raad en Centrale Raad van Beroep.
Gerechtshof
- Gerecht dat zaken in hoger beroep behandelt. Nederland kent
vijf gerechtshoven. Zie ook: kaart gerechtelijke
indeling.
Gerechtssecretaris
– De gerechtssecretaris (of: juridisch medewerker) bereidt ten behoeve van de
rechter de zitting voor en maakt aantekeningen van wat er tijdens de zitting wordt
besproken. Bovendien assisteert de gerechtssecretaris de rechter bij het maken
van de uitspraak.
Gerekestreerde
-Wederpartij van de verzoeker in een verzoekschriftprocedure.
Getuige
à charge – Getuige in een strafproces die wordt opgeroepen door de
officier van justitie. Deze legt in de regel een verklaring
af die belastend is voor de verdachte.
Getuige
à decharge – Getuige in een strafproces die is opgeroepen door de
verdachte of zijn advocaat. Deze
getuige zal in het algemeen ontlastende verklaringen afleggen.
Gevangenhouding
– Vorm van voorlopige hechtenis. Daaraan vooraf gaat de door
de rechter-commissaris bevolen bewaring.
De beslissing over gevangenhouding en de verlenging daarvan wordt door de raadkamer
van de rechtbank gegeven. De gevangenhouding van maximaal dertig
dagen kan twee maal worden verlengd.
Grief
– Bezwaar dat in (hoger) beroep wordt aangevoerd.
Griffier
- Persoon die een verslag maakt van de zitting en de rechter ondersteunt bij het
schrijven van een vonnis.
Griffierecht
– Bedrag dat aan een gerecht moet worden betaald wanneer
men een civiele of bestuursrechtszaak
start. Zie ook: de kosten
van een procedure.
Grondwet
- In de grondwet staan de grondrechten en plichten van burgers, en de bevoegdheden van
het parlement, de ministers en de Koningin. Er staat in hoe gemeenten
en provincies moeten functioneren, hoe wetten worden gemaakt en hoe de rechtspraak
in zijn werk gaat.
Grosse
– Een gewaarmerkt afschrift van een vonnis dat voor
de partijen bestemd is.
H
HALT – Afkorting
voor Het Alternatief. Het Halt-bureau
kan onbetaald werk opdragen als alternatief voor een boete of gevangenisstraf
bij kleine vergrijpen zoals vernielingen of diefstalletjes onbetaald werk opdragen.
Halt is er alleen voor jeugdige daders. Het werk dat moet worden gedaan heeft
zoveel mogelijk te maken met de aangerichte schade, bijvoorbeeld het verwijderen
van graffiti. Als het werk goed is gedaan, is daarmee de zaak afgedaan en volgt
er geen oproep meer om voor de kinderrechter te verschijnen.
Hechtenis
– Vorm van vrijheidstraf, die bijvoorbeeld wordt opgelegd bij overtredingen of
bij het niet betalen van een boete. Zie ook Huis van Bewaring.
Heenzenden
- Het vrijlaten van verdachten die in voorlopige
hechtenis zitten of van veroordeelden die hun straf bijna hebben uitgezeten.
Heenzendingen vinden plaats als er te weinig cellen zijn.
Herziening
– Buitengewoon rechtsmiddel tegen onherroepelijke veroordelingen in strafzaken.
Kan bij de Hoge Raad worden aangevraagd wanneer zich nieuwe
feiten en omstandigheden (novum) hebben voorgedaan die niet bekend waren ten tijde
van de behandeling van de zaak.
Hof / hoven -
Zie: Gerechtshof.
Hoge
Raad - Hoogste rechtscollege in Nederland. De Hoge Raad stelt niet
meer zelf de feiten vast, maar bekijkt of het gerechtshof bij
zijn beslissing het recht goed heeft toegepast. Voor meer informatie: De
Hoge Raad der Nederlanden.
Hoger
beroep - Het opnieuw behandelen van een zaak
door een hogere rechter.
Huisarrest
– Experiment waarbij een veroordeelde zijn straf thuis mag uitzitten. Door een
elektronische chip in een niet te verwijderen enkelband kan op afstand worden
gecontroleerd of een veroordeelde zich aan zijn huisarrest houdt. Wordt ook 'elektronisch
toezicht' genoemd.
Huis
van bewaring – Gebouw waar verdachten zitten
die nog niet zijn voorgekomen en die in voorlopige hechtenis
zitten. Ook bestemd voor personen die een licht vergrijp hebben begaan en daarvoor
een hechtenisstraf kregen en voor passanten die wachten op een plek in een TBS-kliniek.
Huiszoeking
– Het doorzoeken van een woning om goederen in beslag te nemen.
Hulpofficier
van justitie – Hogere politieman met speciale opleiding en speciale
bevoegdheden die bij opsporing en vervolging het Openbaar Ministerie assisteert.
Huwelijksgoederenregister
– Openbaar register bij de rechtbank waarin de huwelijkse voorwaarden
zijn vermeld.
I
Immateriële schade
– Schade die veroorzaakt wordt door verdriet, smart of geestelijk gemis. Deze
schade is (in tegenstelling tot materiële schade) niet direct
in geld uit te drukken. De vergoeding die wordt uitgekeerd om immateriële schade
te vergoeden heet smartengeld.
Inbewaringstelling
- 1. In het strafrecht: voorlopige hechtenis in opdracht van
de rechter-commissaris;
2. In het vreemdelingenrecht: opsluiting
van iemand die niet over geldige verblijfspapieren beschikt;
3. In het kader
van de Wet Bijzondere Opneming Psychiatrische Ziekenhuizen: gedwongen opname in
een psychiatrische inrichting van iemand die psychisch gestoord is en een gevaar
vormt voor zichzelf of zijn omgeving.
Incidenteel
tussengeschil – Voorval in een procedure dat de gewone voortgang
van het proces ophoudt.
Incidenteel
appèl – Hoger beroep, ingesteld nadat de wederpartij
ook al appèl heeft ingesteld tegen dezelfde beslissing.
Inlichtingencomparitie
– Het op bevel van de rechter verschijnen van partijen om inlichtingen te geven.
Insolventie
– Staat waarin een persoon of onderneming niet aan zijn financiële verplichtingen
kan voldoen. Gaat soms vooraf aan faillissement.
Interlocutoir
vonnis – Tussenvonnis waarbij de rechter
een bewijsopdracht, persoonlijke verschijning van partijen, nadere inlichtingen
of onderzoek beveelt waarvan de beslissing van de zaak afhankelijk kan zijn.
Inverzekeringstelling
– Het vasthouden van de verdachte indien dat nodig is
voor het onderzoek. De (hulp)officier van justitie beslist
hierover. De inverzekeringstelling, die drie dagen duurt, kan worden bevolen bij
middelzware en zware misdrijven en kan eenmaal met drie dagen worden verlengd.
Daarna kan voorlopige hechtenis volgen.
J
Jeugdstrafrecht
(of kinderstrafrecht) – Strafrecht voor jongeren tussen de 12
en 18 jaar. Kinderen jonger dan 12 jaar kunnen niet strafrechtelijk worden vervolgd.
Bij het jeugdstrafrecht vinden zittingen achter gesloten deuren plaats. De leeftijdsgrenzen
kunnen variëren. 16- en 17-jarigen kunnen volgens de regels van het volwassenenstrafrecht
worden berecht als het delict of hun persoonlijkheid daar
aanleiding voor geeft. Jongeren van 18 tot 20 jaar kunnen op grond van hun persoonlijkheid
volgens de regels van het jeugdstrafrecht berecht worden. De rechter bepaalt welk
recht van toepassing is.
Juridisch medewerker - De juridisch
medewerker (of: gerechtssecretaris) bereidt ten behoeve van de rechter de zitting
voor en maakt aantekeningen van wat er tijdens de zitting wordt besproken. Bovendien
assisteert de juridisch medewerker de rechter bij het maken van de uitspraak.
Jurisprudentie
- Geheel van uitspraken van rechters. De jurisprudentie vormt een richtlijn voor
de rechtspraak in latere, soortgelijke gevallen.
Justitia,
Vrouwe Justitia – Godin der gerechtigheid in het oude Rome. Vaak
afgebeeld op met blinddoek, weegschaal en zwaard.
Justitiabele rechtzoekende
- Verzamelnaam voor eiser, gedaagde,
verdachte, verzoeker etc.
Justitie
– Verzamelnaam voor functies die zich binnen de overheid bezighouden
met de handhaving van het recht. Lees meer over het werkveld op www.justitie.nl.
Justitiële Documentatiedienst
– Dienst die na veroordeling misdrijven op naam registreert en deze strafrechtelijke
gegevens onder bepaalde voorwaarden verstrekt (bijvoorbeeld ten behoeve van een
Verklaring omtrent het gedrag).
K
Kamer
– Onderdeel van een rechterlijk college, zoals een strafkamer, belastingkamer,
vreemdelingenkamer of militaire kamer. Zie ook:
Enkelvoudige kamer en Meervoudige kamer.
Kantonrechter
- De kantonrechter behandelt zowel civiele zaken als strafzaken.
Het is een alleensprekende rechter die zaken als overtredingen uit het strafrecht,
arbeidszaken, huurzaken en zaken onder de € 5000 behandelt. Vroeger was het kantongerecht
een apart gerecht naast de rechtbanken, gerechtshoven
en de Hoge Raad. De kantongerechten zijn opgegaan in de rechtbanken.
De term ‘kantonrechter’ is echter blijven bestaan.
Kantonrechtersformule
– Afspraken tussen de kantonrechters over de wijze waarop de
hoogte van een vergoeding bij een ontbinding van een arbeidsovereenkomst wordt
berekend.
Kinderrechter
– Rechter die strafzaken tegen minderjarigen (12-18 jaar) behandelt.
Kinderstrafrecht
- Zie: Jeugdstrafrecht
Klachtdelict
– Delict dat alleen vervolgd kan worden als er een klacht is ingediend,
bijv. in geval van belediging.
Kort
geding – Procedure om in een spoedeisende zaak snel een beslissing
van de rechtbank te krijgen. Dit is een voorlopige uitspraak.
Hierna kunnen de partijen alsnog naar de rechtbank gaan om de zaak voor te leggen
(de 'bodemprocedure'), maar in de praktijk komt dat niet veel voor. De partijen
leggen zich meestal neer bij de uitkomst van het kort geding.
Kracht
van gewijsde – Een vonnis heeft ‘kracht van
gewijsde’ als daartegen geen beroep meer mogelijk is.
Kwalificatie in het strafrecht - De vaststelling van
de aard van een strafbare handeling door de wettelijke benaming te geven en het
artikel waarin die handeling strafbaar is gesteld.
L
Landsadvocaat
– Zelfstandig advocaat die het rijk adviseert of namens
het rijk optreedt als raadsman.
Leerstraf
– Het verplicht volgen van een cursus of training als alternatieve
straf voor jeugdigen, met de bedoeling er iets van op te steken.
Legalisatie
– Wettiging; verklaring van echtheid.
Lik-op-stuk
– Snel afhandelen van zaken door politie en justitie. De wetsovertreder krijgt
meteen een acceptgiro voor de boete of een dagvaarding om op de zitting te komen.
Litispendentie
– De situatie dat een geschil al bij een andere rechter in behandeling is.
Lijdelijk
– In het civiele recht is 'de rechter lijdelijk'. Dat betekent
dat hij alleen beslist op de geschilpunten die de partijen zelf naar voren brengen
en een afwachtende houding aanneemt. In het strafproces en het bestuursproces
is de rechter daarentegen leidend. Hij onderzoekt de zaak die aan hem wordt voorgelegd.
M
Maatregel
– Een maatregel kan worden opgelegd na het begaan van een strafbaar feit. Er kunnen
maatregelen worden opgelegd in plaats van een straf of naast een straf. Voorbeelden
zijn: terbeschikkingstelling, plaatsing in een psychiatrisch
ziekenhuis, ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, onttrekking van
voorwerpen aan het verkeer.
Magistratuur
– Alle leden van de rechterlijke macht, dus rechters (zittende magistratuur) en
de leden van het Openbaar Ministerie (staande magistratuur).
Materiële
schade – Schade die direct in geld is uit te drukken.
Mediation
– Alternatieve methode om geschillen buiten de rechter om op te lossen. Ook: alternatieve
geschilbeslechting of ADR. Zie ook voor meer infornatie: Mediation.
Meervoudige kamer
- Een kamer van een gerecht, bestaande uit ten minste drie rechters. De meervoudige
kamer beslist over zware of ingewikkelde zaken. Zie ook: Enkelvoudige
kamer.
Meineed -
Valse eed. Getuigen die opzettelijk niet de waarheid spreken
bij de rechtbank, maken zich schuldig aan meineed.
Memorie
van Antwoord – Datgene wat de gedaagde
aanvoert tegen hetgeen de eiser stelt in een appèlprocedure
in civiele zaken.
Memorie
van Grieven - Datgene wat de eiser vordert in
een hoger beroepprocedure.
Militaire
kamer – De rechtsprekende instantie die belast is met de behandeling
van strafzaken die zijn begaan door militairen. Deze kamer is ondergebracht bij
de rechtbank Arnhem.
Als het een meervoudige behandeling betreft, bestaat de militaire kamer uit twee
rechters en een militair lid. Het militair lid is een officier van één van de
krijgsmachtonderdelen.
Minuut
– Origineel exemplaar van een gerechtelijk stuk (bijvoorbeeld een vonnis), dat
blijft bij degene die het heeft opgesteld (griffier).
Misdrijf
- Zwaar strafrechtelijk vergrijp. De strafwetgeving onderscheidt overtredingen
en misdrijven. Overtredingen worden in de regel berecht door de sector kanton
van de rechtbank, misdrijven door de strafsector van de rechtbank.
Mondeling
vonnis – Vonnis dat meteen na de behandeling wordt uitgesproken.
Moord
- Het opzettelijk en volgens plan (met voorbedachten rade) iemand van het leven
beroven. Maximale straf: levenslang. Zie ook: Doodslag.
Mulder-afdoening
- Procedure om buiten het strafrecht om lichte verkeersovertredingen administratief
af te doen.
N
Ne
bis in idem (letterlijk: niet tweemaal voor hetzelfde) - Latijnse
term in het strafrecht voor het beginsel dat iemand niet twee keer voor hetzelfde
feit kan terechtstaan en mag worden gestraft. Behandeling in hoger
beroep betekent niet dat iemand voor de tweede keer terechtstaat, want die
procedure maakt deel uit van dezelfde rechtsgang.
Niet-ontvankelijk
– Niet vatbaar voor berechting. De niet-ontvankelijkheid wordt bepaald door de
rechter, bijvoorbeeld omdat een zaak te lang heeft gelegen of omdat de termijn
waarbinnen het beroep binnen had moeten zijn, is overschreden. In het strafrecht
kan ook het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk zijn als bijvoorbeeld
de opsporing en vervolging niet fatsoenlijk zijn verlopen.
Nietigverklaring
– Oordeel van de rechter dat een vorige uitspraak van een
lagere rechter niet geldig is. In het strafrecht kan een dagvaarding
ook nietig worden verklaard
Non-refoulement
– Het niet mogen terugsturen van asielzoekers vanwege de gevaren die hen bedriegen
in het land van herkomst.
Noodweer
– Het plegen van een strafbaar feit om jezelf of een ander te beschermen tegen
een onmiddellijke bedreiging. De verdediging mag niet verder gaan dan noodzakelijk
is. Wanneer noodweer is vastgesteld, is er geen sprake van een strafbaar feit.
Noodweer-exces
– Als iemand de grens overschrijdt van de noodzakelijke verdediging (noodweer),
bijvoorbeeld omdat hij in paniek raakt, kan sprake zijn van noodweer exces. De
dader is dan niet strafbaar.
Novum
– nieuw feit.
O
Officier van justitie
– Vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie in de rechtszaal.
De officier van justitie heeft de leiding van het opsporingsonderzoek (strafzaken).
Afhankelijk van de resultaten van dit onderzoek zal hij besluiten de zaak voor
de rechter te brengen (te dagvaarden), een schikking aan te bieden of de zaak
te seponeren (bijvoorbeeld bij gebrek aan bewijs). Bij een strafzitting krijgt
hij het woord voor het zogenaamde requisitoir. De officier van justitie geeft
daarin aan welke feiten naar zijn mening bewezen moeten worden verklaard en welke
straffen of maatregelen daarvoor moeten worden opgelegd.
OM
– Gebruikelijke afkorting voor Openbaar Ministerie.
Onderbewindstelling
– Maatregel van de kantonrechter om het goederenbeheer van personen die daar zelf
niet meer voor kunnen zorgen over te dragen aan een bewindvoerder.
Ondercuratelestelling
– Het benoemen van een curator voor een meerderjarig persoon
die zijn financiële zaken door lichamelijke of geestelijke oorzaken niet meer
goed zelf kan regelen.
Ondertoezichtstelling
- Maatregel van de kinderrechter waarbij de ouders/voogd
worden beperkt in het ouderlijk gezag/voogdij en waarbij het toezicht over het
kind wordt opgedragen aan een Bureau jeugdzorg.
Onherroepelijk
– Niet te herroepen, niet te veranderen. Een uitspraak is onherroepelijk als de
rechtzoekende geen beroep of cassatie
meer kan instellen, bijvoorbeeld omdat de termijn waarbinnen men beroep moet instellen
verlopen is. De zaak is dan helemaal afgedaan.
Onrechtmatig
bewijs – Bewijs dat het Openbaar Ministerie niet
volgens de regels van het recht heeft verkregen.
Ontoerekeningsvatbaar
– Het niet toerekenen van een strafbaar feit aan de dader
vanwege zijn psychische toestand.
Ontslag
van rechtsvervolging – Beslissing van de rechter
als hij vindt dat de verdachte het telastegelegde feit
wel heeft gepleegd, maar dit feit (zoals in geval van noodweer)
of de verdachte (zoals bij psychische stoornis of noodweer
exces) niet strafbaar is.
Onvoorwaardelijke
straf - Straf die daadwerkelijk uitgevoerd wordt. Zie ook: voorwaardelijke
straf.
Openbaar Ministerie
- Valt onder het ministerie van Justitie. Geeft leiding aan het opsporingsonderzoek
van de politie en vervolgt de verdachten. Zie ook: Officier van
justitie.
Openbare
registers – Door de overheid bijgehouden registers zoals het faillissementsregister
en het huwelijksgoederenregister. Deze zijn door iedereen in
te zien.
Opportuniteitsbeginsel
– Het uitgangspunt dat een officier van justitie zelf beslist
of een strafbaar feit wordt vervolgd. Als de officier beslist om niet te vervolgen
dan kan een belanghebbende daarover een klacht indienen bij het gerechtshof
met het verzoek alsnog opdracht te geven tot vervolging.
Opposant
– Procespartij die verzet aantekent na kennisname van een vonnis dat hem aangaat
maar dat in zijn afwezigheid is uitgesproken (verstekvonnis).
Overtreding
- Licht strafrechtelijk vergrijp. De strafwetgeving onderscheidt overtredingen
en misdrijven. Overtredingen worden in de regel berecht
door de sector kanton van de rechtbank, misdrijven door strafsector
van de rechtbank.
P
Parket
– Het kantoor van het openbaar ministerie in de hoofdplaats van een rechtbank
(arrondissementsparket) of van een gerechtshof (ressortsparket). Op de arrondissementsparketten
werken de officieren van justitie en ondersteunend personeel onder leiding van
een hoofdofficier van justitie. Op de ressortsparketten werken de advocaten-generaal
en parketmedewerkers onder leiding van een hoofdadvocaat-generaal. Daarnaast is
er in Rotterdam een landelijk parket met aan het hoofd een officier van justitie.
Het parket bij de Hoge Raad der Nederlanden onder leiding van de Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad maakt geen deel uit van het openbaar ministerie.
Passant
- Een veroordeelde die na het uitzitten van zijn straf moet wachten op een plek
in een TBS-kliniek. Deze wachttijd wordt doorgebracht in het
huis van bewaring. De passant kan hier een schadevergoeding
voor eisen.
Penitentiaire
inrichting – Gevangenis of huis van bewaring.
Peremptoire termijn
– Laatste termijn in een procedure waarna geen uitstel meer wordt verleend.
Persisteren
– volharden bij een eis of stelling; de eis onveranderd handhaven ondanks hetgeen
de tegenpartij aanvoert.
Piketdienst
– Regeling dat elke verdachte, vreemdeling of psychiatrische
patiënt die in bewaring wordt gesteld op het politiebureau of in een psychiatrisch
ziekenhuis automatisch wordt bezocht door een advocaat om zijn of haar rechten
te bespreken.
Plaatsopneming
– Een bezichtiging door de rechter op de plaats waar de oorzaak van het geschil
zichtbaar is of het geschil zich afspeelt. In een civiele procedure
wordt dit ‘descente’ genoemd, in het strafproces ‘schouw’.
Pleidooi
- Mondelinge toelichting op het in het geding ingenomen standpunt.
"Pluk-ze"
– Populaire benaming voor de maatregel die inhoudt dat tijdens of na een strafproces
het financiële voordeel wordt afgenomen dat men heeft verkregen door het plegen
van een strafbaar feit.
Politierechter
– Alleensprekende rechter van de rechtbank in strafzaken die
niet zo ingewikkeld zijn en waarin niet meer dan één jaar gevangenisstraf wordt
geëist.
Preparatoir
vonnis – Tussenvonnis waarbij de rechter
partijen vraagt om stukken over te leggen.
President
– De voorzitter van een rechtbank, een gerechtshof
en van de Hoge Raad heet president. Ook de rechter die een zitting
van een rechtbank of hof voorzit wordt president of voorzitter genoemd.
Preventieve hechtenis
– Verzamelnaam voor de begrippen bewaring, gevangenhouding
en gevangenneming.
Primair
– Eerste vordering / tenlastelegging of verzoek.
Met een primaire vordering wordt aangegeven welke vordering de belangrijkste is
in een reeks. Zie ook Subsidiair.
Principaal
beroep – Het eerst ingestelde hoger beroep in
tegenstelling tot het incidenteel beroep.
Proceskostenveroordeling
– Bedrag dat de verliezende partij moet betalen aan de winnende partij als compensatie
voor de kosten die gemaakt zijn voor een advocaat en griffierechten.
Als er niet echt sprake is van winnen of verliezen (zoals in het personen- en
familierecht) worden de kosten gecompenseerd. Dat betekent dat ieder zijn eigen
kosten draagt.
Proces-verbaal – 1. Schriftelijk
verslag van hetgeen op rechtszittingen aan de orde is gekomen.
2. Officieel
schriftelijk verslag van politieambtenaren met feiten die ze hebben waargenomen
en met een verklaring die ze hebben opgetekend uit de mond van een verdachte
of getuige;
Procureur
– Advocaat die een collega inschakelt indien een
rechtszaak niet in zijn eigen arrondissement gehouden
wordt. De taak van een procureur is ervoor te zorgen dat alle noodzakelijke processtukken
bij de rechtbank en de advocaat terechtkomen. De advocaat blijft
verantwoordelijk voor de rechtszaak en voert ook het woord. Een procureur mag
alleen stukken inleveren bij de rechtbank waar hij staat ingeschreven. Bij een
civiele procedure bij de rechtbank, het gerechtshof
en de Hoge Raad is procureurstelling verplicht.
Procureur-generaal
(PG) - Lid van het College van Procureurs-Generaal, de landelijke leiding
van het OM.
Procureur-generaal
(PG) bij de Hoge Raad - Hoofd van het parket bij de Hoge Raad.
Bij de Hoge Raad vervult het parket een andere rol
dan bij de rechtbank en het gerechtshof. Leden
van het parket eisen hier geen straf, maar adviseren de Hoge Raad over
de uitspraak in civiele zaken, strafzaken
en belastingzaken.
Pro-Deoadvocaat
- Vroeger kreeg de minder draagkrachtige burger een gratis (pro Deo) advocaat.
Tegenwoordig betaalt een rechtzoekende in civiele en bestuursrechtelijke
zaken een van het inkomen afhankelijke eigen bijdrage voor de advocaat.
Alleen in strafzaken, als een verdachte in voorarrest zit, krijgt hij nog (automatisch)
een pro-Deoadvocaat toegewezen. In de rechtszaal wordt gesproken over een 'toegevoegd
advocaat'.
Proeftijd - De rechter kan iemand tot
een voorwaardelijke straf veroordelen. De straf wordt dan niet
uitgevoerd, mits de verdachte zich gedurende een bepaalde
periode, de proeftijd, aan een aantal afspraken houdt en niet opnieuw in de fout
gaat. Deze voorwaarden zijn door de rechter in zijn vonnis opgelegd.
Pro-formazitting
– Zitting waarop een zaak niet inhoudelijk wordt behandeld. Een pro-formazitting
is nodig als een zaak binnen een bepaalde termijn op een zitting moet zijn geweest,
maar het nog te vroeg is om deze inhoudelijk te behandelen.
Prorogatie
– De mogelijkheid om in het civiel procesrecht met de tegenpartij
overeen te komen dat een geschil direct zal worden voorgelegd aan een hogere rechter.
R
Raadkamer
– 1. Rechterlijk college dat strafzaken behandelt waarvoor
in de regel geen openbare zitting is voorgeschreven. Denk bijvoorbeeld aan klachten
niet-vervolging (het hof oordeelt dan over de vraag of een verdachte
moet worden vervolgd als het OM daartoe niet besluit).
2.
Onderling beraad tussen de rechters die een zaak behandelen na de openbare zitting
om het vonnis vast te stellen.
Raadsheer
- Rechter bij het gerechtshof of de Hoge Raad.
Ook een vrouwelijke raadsheer wordt gewoon raadsheer genoemd, want met een raadsvrouw/raadsman
wordt een advocaat bedoeld.
Raadsman
– Advocaat.
Raadsvrouw
– Vrouwelijke advocaat.
Raad
van State – Hoogste adviescollege van de staat dat adviseert over
alle wetsontwerpen en algemene maatregelen van bestuur; de Afdeling Bestuursrechtspraak
van de Raad van State beslist in hoogste instantie in geschillen over besluiten
van overheidsorganen.
Raad
voor de Kinderbescherming – Orgaan van het ministerie van Justitie,
gevestigd in elke arrondissementshoofdplaats. De raad behartigt de belangen van
minderjarigen die dat nodig hebben en adviseert de kinderrechter
bij verzoeken om ondertoezichtstelling en
uithuisplaatsing. Voor meer informatie: www.kinderbescherming.nl
Raad
voor Rechtsbijstand - Instantie die beslist of een rechtzoekende
in aanmerking komt voor gesubsidieerde rechtsbijstand. Zie ook: Pro-Deoadvocaat.
Voor meer informatie: www.rvr.org
Raad
voor de rechtspraak - De Raad voor de rechtspraak bestaat sinds
1 januari 2002 en vormt de schakel tussen de minister van Justitie en de gerechten.
De Raad heeft als opdracht te bevorderen dat de gerechten hun rechtsprekende taak
goed kunnen vervullen.
RAIO
– Rechterlijk ambtenaar in opleiding.
Rechtbank
- Rechtsprekend orgaan dat in eerste aanleg oordeelt over zaken zoals echtscheidingen,
misdrijven, geldvorderingen, en de meeste bestuursrechtelijke geschillen. Ook
wordt met het begrip rechtbank het gebouw aangeduid waarin de rechtbank zetelt.
Zie ook: kaart gerechtelijke
indeling.
Rechter-commissaris
(RC) – 1. Rechter die het onderzoek naar één of meer strafbaar feiten leidt.
2.
In faillissementen houdt de RC toezicht op het beheer van de failliete boedel.
Rechterlijke
macht - Rechters en officieren van justitie. De
rechters worden tot de zittende magistratuur
gerekend en de officieren van justitie tot de staande magistratuur.
De rechter blijft zitten tijdens de zitting, de officier van justitie voert staande
het woord.
Recidive
– Herhaling van strafbaar gedrag.
Reclassering
- Instelling die het herintreden in de maatschappij van veroordeelden, wil bevorderen.
Geeft ook voorlichting aan de rechter over de persoon van de verdachte.
Reconventie
– Tegeneis; door de gedaagde tegelijk met de conclusie
van antwoord ingediende vordering.
Redelijkheidsbeginsel
- Algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat voorschrijft dat een bestuursorgaan
bij het nemen van de beslissing alle belangen tegen elkaar af moet wegen.
Referte
– Conclusie van een partij of verdachte, inhoudend dat
men geen bezwaren tegen een vordering of verzoek kan aanvoeren en het oordeel
daarover aan de beslissende rechter over laat.
Rekest
- Verzoekschrift.
Relatieve
competentie – Geeft aan in welke plaats in Nederland een procedure
gestart moet worden. Zie ook: Absolute competentie.
Repliek
– Datgene wat de eiser aanvoert ter weerlegging van hetgeen
de gedaagde in de conclusie van antwoord
heeft gesteld (civiele zaken).
Requestrant
(of rekwestrant)– Verzoeker in een rechtszaak.
Requirant
– Degene die een vordering indient.
Requireren
– Het ter zitting eisen van een straf of maatregel door de officier
van justitie.
Requisitoir
– De aanklacht van de officier van justitie tijdens een strafproces
waarin hij de feiten op een rij zet, zijn mening geeft over het bewijs en op grond
daarvan een bepaalde straf eist. De officier van justitie kan ook vrijspraak vragen.
Ressort
– Rechtsgebied. Nederland is onderverdeeld in 5 ressorten, die vervolgens weer
zijn onderverdeeld in arrondissementen (19). Elk ressort heeft een eigen gerechtshof.
Ressortsparket
– Kantoor van het Openbaar Ministerie bij het gerechtshof.
Rogatoire
commissie – Getuigenverhoor dat in opdracht van de behandeld rechter
door een andere instantie (meestal een rechtbank in het buitenland)
wordt uitgevoerd.
Rol
– Een lijst van de zaken die op de zitting behandeld worden, waarbij aangegeven
wordt welke stukken uitgewisseld moeten worden tussen partijen.
Rolzaak
– Procedure die (in beginsel) door een dagvaarding
wordt aangebracht voor de civiele rechter.
Rolzitting
– Zitting in civiele zaken waar procedurele beslissingen worden genomen en de
stukken van de partijen worden uitgewisseld.
Royement
/ royeren – Schrappen, doorhalen; het afbreken van een lopende procedure
omdat er een oplossing is bereikt.
S
Sanctie
– Straf of maatregel die wordt toegepast als rechtsregels worden overschreden.
Schikking
– Tussentijdse overeenkomst tussen partijen waarmee het conflict is opgelost voordat
de civiele of bestuursrechter een uitspraak heeft gedaan.
Schikkingsvoorstel
- Bevoegdheid van politie of de officier van justitie om een
verdachte van een strafbaar feit aan te bieden een bepaald
bedrag te betalen. Als de verdachte daarop ingaat, hoeft hij niet terecht te staan.
Schouw
– Wat in het civiel recht een descente
of plaatsopneming wordt genoemd, heet in het strafprocesrecht
een schouw: een bezichtiging op de plaats van het delict.
Seponeren
- Bevoegdheid van de politie of officier van justitie om de
zaak niet voor de rechter te brengen, maar te laten rusten (sepot).
Sprongcassatie
– Overeenkomst tussen partijen inhoudende dat hun geschil na de einduitspraak
in eerste aanleg direct (zonder hoger beroep) in cassatie
aan de Hoge Raad zal worden voorgelegd.
Staande
magistratuur - Vertegenwoordigers van het Openbaar
Ministerie. Zie ook: Rechterlijke macht.
Strafblad
- Vermelding in het strafregister dat aantekeningen
bevat over de keren dat iemand in het verleden verdacht werd van strafbare feiten
(met name misdrijven) en over de afloop daarvan (sepot,
vrijspraak, veroordeling).
Strafkamer - Eenheid van drie
rechters die binnen een rechtbank of een gerechtshof
strafzaken behandelen.
Strafrechtspraak
- Rechtspraak die zich bezighoudt met de berechting van strafbare feiten (overtredingen
en misdrijven).
Strafregister
– Register waarin wordt bijgehouden wie wanneer verdacht werd van welk strafbaar
feit (met name misdrijven) en over de afloop daarvan (sepot, vrijspraak of veroordeling).
Degenen die in het register voorkomen "hebben een strafblad".
Subsidiair
– Volgt altijd op primair; met primair wordt de maximaal
haalbare vordering of tenlastelegging aangegeven. Subsidiair wordt de vordering
anders geformuleerd als verwacht wordt dat de eerste vordering (primair) niet
tot het beoogde resultaat zal leiden. Bijvoorbeeld: primair wordt ten laste gelegd
dat verdachte diefstal met geweld heeft gepleegd; subsidiair
wordt alleen diefstal ten laste gelegd.
Surséance
van betaling – Door de rechter verleende opschorting van betalingsverplichtingen.
T
Taakstraf
– Werkstraf of leerstraf.
Tableau
– Bij de rechtbank aanwezige lijst van ingeschreven advocaten.
Tenlastelegging
(ook telastlegging) – Deel van de dagvaarding in strafzaken
waarin staat waar het Openbaar Ministerie de verdachte
van beschuldigt.
Tenuitvoerlegging
– 1. Uitvoering van een arrest of vonnis
desnoods met behulp van een deurwaarder
2. In het strafprocesrecht:
de omzetting van een voorwaardelijke straf in een onvoorwaardelijke
straf.
Terbeschikkingstelling
(tbs) - Maatregel die de rechter kan opleggen aan een psychisch gestoorde veroordeelde.
De terbeschikkinggestelde kan aan dwangverpleging worden onderworpen of moet zich
aan bepaalde aanwijzingen van de rechter houden. Het belangrijkste oogmerk waarmee
de tbs-maatregel wordt opgelegd is het beveiligen van de maatschappij op korte
en langere termijn. Om de maatschappij op korte termijn te beveiligen verblijft
de dader in de gesloten kliniek. Beveiliging van de maatschappij
op langere termijn wordt gerealiseerd door behandeling van de dader, die er op
is gericht herhaling van het misdrijf in de toekomst te voorkomen.
Toevoeging
– Beslissing van de Raad voor Rechtsbijstand waarmee een rechtzoekende
voor een bepaalde procedure een raadsman wordt toegewezen.
Transactie
– Aanbod van de officier van justitie aan de verdachte
om een boete te betalen. Als de verdachte de boete betaalt, dan ziet de offi cier
af van verdere strafvervolging. Zie ook: Schikkingsvoorstel.
Tussenkomst
– Zich op eigen initiatief als (derde) partij stellen (tussenkomen) in een lopende
rechtszaak.
Tussenvonnis
– Vonnis waarbij de rechter geen eindbeslissing geeft, maar bijvoorbeeld een bewijsopdracht
of onderzoek beveelt waarvan de beslissing van de zaak afhankelijk kan zijn.
U
Uitvoerbaar bij
voorraad – De mogelijkheid om een uitspraak onmiddellijk uit te voeren
hoewel de hoofdzaak of het hoger beroep nog niet is afgedaan.
Het instellen van beroep heeft in dit geval geen opschortende werking.
Unus-rechtspraak
– Zitting met één rechter die rechtspreekt.
V
Verbeurdverklaren
– De rechter kan bepalen dat een veroordeelde als bijkomende straf de spullen
kwijtraakt die bij hem in beslag zijn genomen.
Verdachte
– Iemand over wie aanwijzingen bestaan dat hij mogelijk een strafbaar feit heeft
gepleegd. De wet spreekt over "een redelijk vermoeden van schuld". Een verdachte
wordt pas dader genoemd nadat hij is veroordeeld.
Verhaal
– Het recht om een betaling geheel of gedeeltelijk bij een ander in rekening te
brengen. Bijvoorbeeld de sociale dienst die een bijstandsuitkering mag verhalen
op de ex-partner.
Verjaring
– De termijn na afloop waarvan een recht ontstaat of juist verloren gaat.
Verplichte
procesvertegenwoordiging - Beginsel dat een burger alleen een proces
mag voeren als hij door een advocaat of procureur
vertegenwoordigd wordt. Dit geldt alleen in civiele zaken bij de rechtbank,
het gerechtshof en de Hoge Raad.
Verschoningsrecht
– Het recht dat een getuige op grond van zijn familierelatie
met de verdachte of op grond van zijn beroep heeft om
vragen van de rechter onbeantwoord te laten. Een getuige mag zich ook verschonen
van het geven van een antwoord als hij zichzelf daardoor zou belasten.
Verstekvonnis
of bij verstek veroordeeld zijn - Veroordeling die wordt uitgesproken
terwijl de gedaagde of verdachte
niet op de zitting is.
Vertrouwensbeginsel
- Algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat voorschrijft dat een burger
erop moet kunnen vertrouwen, dat een bepaalde toezegging van een bestuursorgaan
ook nagekomen wordt.
Vervangende
hechtenis – Aantal dagen dat de veroordeelde moet vastzitten als
hij zijn boete niet betaalt. Wanneer een boete wordt opgelegd, wordt er meteen
bij vermeld aan hoeveel dagen vrijheidsstraf dit gelijkstaat.
Vervroegde
invrijheidstelling – In de regel wordt een veroordeelde na twee/derde
van de gevangenisstraf uitgezeten te hebben vervroegd in vrijheid gesteld. Vervroegde
invrijheidstelling vindt niet plaats bij straffen van minder dan zes maanden,
in het jeugdstrafrecht en bij een levenslange gevangenisstraf.
Verzekering – Zie: Inverzekeringstelling.
Verzet
- Bezwaar tegen een uitspraak dat iemand kan indienen die bij verstek
(afwezigheid) veroordeeld is.
Voeging
– Het samenvoegen van verschillende strafbare feiten tot één strafzaak of (in
het civiele recht) het samenvoegen van twee procedures die
tussen dezelfde personen lopen en hetzelfde onderwerp betreffen, dan wel verbonden
zijn met elkaar.
Vonnis
- Een uitspraak in een procedure die begint met een dagvaarding.
Zie ook: Beschikking
Voorarrest
– Het totaal aantal dagen dat iemand doorbrengt in politiecel of Huis
van Bewaring voorafgaand aan de zitting en uitspraak. De dagen die iemand
in voorarrest heeft doorgebracht worden van de straf afgetrokken.
Voorgeleiding
– Verhoor van de verdachte door de officier
van justitie om vast te stellen of het Openbaar Ministerie
de rechter moet vragen om de verdachte in voorlopige hechtenis
te nemen.
Voorlopig getuigenverhoor
– Iemand die overweegt een civiele procedure te beginnen,
kan aan de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor vragen. Dit
verhoor dient om de kansen bij een rechtszaak beter in te kunnen schatten, of
om te voorkomen dat bewijs verloren gaat (door vertrek of overlijden van een getuige
bijvoorbeeld).
Voorlopige
hechtenis – Verzamelnaam voor de begrippen bewaring,
gevangenhouding en gevangenneming.
Voorlopige
voorziening – Een voorlopige beslissing in spoedeisende zaken die
gezien kan worden als voorschot op de eindbeslissing of als tijdelijke regeling
tot de eindbeslissing er is. Bijvoorbeeld de voorlopige regeling bij wie de kinderen
verblijven tijdens de behandeling van de echtscheidingsprocedure.
Voorwaardelijke
straf - Straf die pas uitgevoerd wordt als de veroordeelde zich niet
aan bepaalde voorwaarden houdt. Als voorwaarde geldt altijd dat de verdachte
zich niet binnen de proeftijd opnieuw aan een strafbaar feit schuldig mag maken.
De proeftijd bedraagt meestal twee jaar. Als bijzondere voorwaarde kan bijvoorbeeld
worden opgelegd dat de verdachte contact moet houden met de reclassering. Als
de verdachte de opgelegde voorwaarden niet nakomt, kan de officier van justitie
bij de rechter eisen dat de voorwaardelijk opgelegde straf alsnog ten uitvoer
wordt gelegd.
Vormverzuim
– Het verwaarlozen of niet in acht nemen van vormvoorschriften in een proces of
door een bestuursorgaan. Ook wel 'procedurefout' genoemd.
Vrijspraak - Beslissing
van de rechter als hij het telastegelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen
acht.
Vrijwaring
– De gedaagde in een civiel proces
kan een derde partij bij de procedure betrekken omdat die ook met de zaak te maken
heeft, met het doel dat de negatieve gevolgen van de uitkomst van het geschil
op die derde kunnen worden verhaald. Dat heet 'oproepen in vrijwaring'.
W
Wederrechtelijk
onrechtmatig, in strijd met het recht.
Werkstraf
– Onbetaalde arbeid die wordt opgelegd door de strafrechter in plaats van een
gevangenisstraf. Het werk wordt meestal verricht in ziekenhuizen, bejaardencentra,
kinderboerderijen, sportclubs, gemeenten e.d. Zie ook Taakstraf
en Leerstraf.
Wraking
– Verzoek aan de rechtbank om een rechter of raadsheer
in een bepaalde zaak te vervangen, omdat hij partijdig zou zijn.
Z
Zittende
magistratuur - Aanduiding voor de rechters. Zie ook Rechterlijke
macht.
Bron: Rechtspraak.nl